#02 Ergens tussen obsessie en verliefdheid

9-14 minuten

And I pray one prayer – I repeat it till my tongue stiffens: Be with me always! Take any form, drive me mad! Only do not leave me in this abyss, where I cannot find you! Oh, this is unutterable…I can not live without my life! I can not live without my soul!


∼ Wuthering Heights, Emily Brontë

De dagen voor ons vertrek bestonden uit wachten, en doen alsof ik functioneerde. Ik ging werken, sprak mensen aan en lachte op de juiste momenten. Ondertussen ging mijn hand naar mijn telefoon, tientallen keren per dag. Nooit een bewuste keuze.

Het icoontje bepaalde mijn hartslag. Online betekende spanning. Offline betekende paniek. Facebook, Instagram. Het laatste nieuwe bericht kreeg zeven hartjes. Vijf vrouwen die reageerden. Andere vrouwen. Betere. Mooiere. Foto’s checken. Details in dezelfde foto observeren, telkens fantaserend over hoe zijn mond de mijne zou raken.

Elk uur van de dag onderhandelde ik met mezelf: Wat kan ik sturen? Stuur ik dit nu? Nee, wacht nog een dag! Is dit niet teveel? Denkt hij aan me? Wie ben ik voor hem? Kom op, focus op je werk.

Ik stelde zorgvuldig uitgekiende scenario’s op in mijn hoofd wanneer ik hem een volgende keer zou terugzien: hoe ik zou binnenkomen, wat ik zou dragen, wanneer ik zou zwijgen, wanneer ik precies genoeg zou zijn. Nooit te veel, nooit te weinig. Elk detail moest kloppen, want één verkeerde beweging zou genoeg zijn om hem af te stoten, daar was ik van overtuigd.

Op dinsdag stuurde ik hem een bericht. 

Ik: “Nog altijd oké voor Ieper?” 

Ik staarde naar het schermpje. Gelezen. Drie minuten. Vijf. Ik legde mijn telefoon ondersteboven. Ik pakte hem weer. Tien minuten.

Ik waste mijn handen, keek naar mezelf in de spiegel. Mijn gezicht was bleek. Ik opende Instagram. Hij had iets geliket — van iemand anders. Bij elke ademhaling leek het alsof metalen draden mijn hart, longen en ribben strakker aantrokken.

Slapen was het enige moment waarop ik kon ontsnappen. Dat korte moment, net voor het bewustzijn terugkeerde in het lichaam, gaf een hoopvolle ruimte. En toen sloeg de realiteit terug. Een pijnlijk gemis. Hoe ik mezelf liet reduceren tot iets dat alleen bestond als hij keek.

Ik checkte mijn gsm. 

Geen antwoord.

Schouder aan schouder wandelden we langs de Hoge Wieltjesgracht in Ieper. De stad droeg haar doden met waardigheid—dagelijks herdacht bij de Last Post, een weigering om te vergeten. Vlakbij de Menenpoort stond de vierstammige boom. Een veerkrachtboom. Twee wereldoorlogen had hij overleefd.

Hoe doe je dat?, dacht ik. Hoe overleef je dat soort geweld en blijf je toch staan? Hebben bomen dan geen geheugen? Ik wist dat trauma geen vergeten kent.

Tijdens het slenteren botste zijn arm af en toe tegen de mijne, vluchtige aanrakingen die mijn zintuigen op scherp zetten. Hij gaf sporadisch. Elk gebaar een kleinood.

Het begon drie jaar geleden, toen ik hem de eerste keer op het podium zag. Zijn vingertoppen gleden over de snaren met een bijna chirurgische precisie — doelgericht, wetend welke plek hij moest raken om de noot af te dwingen zoals hij die bedoelde. Hij bracht zijn verhaal. Wat de anderen ermee deden, boeide hem niet.

In dat eerste moment, in het halfduister van de zaal, voelde ik het duidelijk. Hij speelde niet om gezien te worden, maar omdat hij anders zou breken.

Elk concert daarna had ik bijgewoond. Negentien in totaal.

Het was niet zijn uiterlijk dat me aantrok. Pretty boys deden me niets. Toegegeven, hij had een leuke kop: donkere krullen tot op zijn schouders, dat soort haar waar handen vanzelf in willen verdwijnen. Dicht, warm, ontembaar. Telkens na het spelen van een emotionele riff bewoog hij zijn haar naar achteren. Zo’n simpele beweging. Zo belachelijk effectief. Zijn ogen vol ingehouden intensiteit, aftastend, smekend bijna, op zoek naar een fractie zachtheid binnen de muur van hardheid die hij rondom zich had opgetrokken.

Toch verklaarde dat niet de intensiteit van mijn reactie.

Er was geen inleidende periode geweest. Geen langzaam verschuiven van sympathie naar interesse naar verliefdheid. Het was er meteen. Totaal en overweldigend. Alles in mijn lijf stond vanaf die eerste seconde op hem gericht. Mijn brein had iets in hem herkend, een oud patroon, en had besloten: deze.

Er zat iets Heathcliff-achtigs in hem: dat donkere en onredelijke dat voor niemand buigt. Ik wilde kost wat kost zijn Catherine zijn — een verwoestende kracht die hem tot waanzin drijft en zo voor eeuwig nabij houdt.

Welke rol speelde hij? Hoorde het bij zijn status als rockster? Deed hij dit bij elke vrouw? Het niet-weten voelde soms veiliger dan de waarheid. Misschien was dit gewoon zijn patroon: charmeren, aantrekken, loslaten.

Ik wist dat hij iemand was die niet bleef. Dat had me moeten afschrikken. In plaats daarvan voelde het als een uitnodiging.

Ik wilde toegang tot zijn kwetsbaarheden, zijn onzekerheden, zijn donkerte. Dieper graven, intenser, onverbiddelijk tot aan de kern, en daar dan samen in de kuil gaan zitten. Dat was de enige intimiteit die ik kende. Maar hij liet me niet binnen. Stiltes vulde hij met woorden die niets zeiden, hij lachte als ik te dichtbij kwam en verdween zodra ik te veel vroeg.

Ik voelde dat hij me aantrekkelijk vond—bijna zeker. Maar “bijna zeker” was voor mijn brein hetzelfde als “totaal onzeker”. Elke hint van interesse deed me opleven; elke terugtrekking, elk negeren, elke onduidelijke blik joeg mijn stresslevels de hoogte in. Spanning en ontspanning, jagen en wachten, hoop en wanhoop. Het putte me uit.

“Kom,” zei hij. “We gaan terug naar het hotel.”

We liepen langs de vestingen—massieve stenen die honderden jaren hadden standgehouden. Ik hield het geen dag uit zonder hem.

Eenmaal in het hotel aangekomen, wilde ik vrijen — dichtbij zijn, lijfelijk, een kortdurende illusie dat de interesse wederzijds bleek. Ik schopte mijn sneakers uit en liep naar de badkamer. Ik kleedde me om en voelde wat elke vrouw voelt vlak voor ze zich opent: de stille hoop dat haar lichaam genoeg is.

In de half verduisterde kamer lag hij op het kingsize bed, scrollend op zijn gsm. Mijn lichaam trilde van opwinding, zoals altijd wanneer ik bij hem was. Zelfs na al die jaren nog steeds: paniek, onzekerheid, verlangen, intense verliefdheid, alles tegelijk.

Ik liep de badkamer uit en bleef staan. Hij merkte me niet op. Natuurlijk niet. Dat is het doel van zo’n onding: je aandacht kapen en je doen vergeten wat vlak voor je staat. Ik kende dat mechanisme — urenlang wachten op een notificatie die nooit lang genoeg bevredigt. Het verschil was dat hij zijn fix nu kreeg, terwijl ik hier stond te bedelen om de mijne.

“Ik wil met je neuken,” zei ik.

Hij keek op, en daar zag ik het — de versie van hem die ik wilde activeren: iemand die me nodig had, iemand die me kon claimen.

Hij kwam rechtop zitten. “Hier,” zei hij, zijn stem kordaat.
Ik wilde dat hij de controle nam die ik niet meer bezat. Het voelde als opluchting om even niet te hoeven beslissen, niet te hoeven denken, gewoon te mogen voelen.

Ik liep naar hem toe. Hij ademde me in.
Goed. Dan was ik misschien genoeg. Voor even toch.

“Ik hoop dat je van volle borsten en een zachte kut houdt,” zei ik terwijl ik mijn tepels voelde harden doorheen het transparante stofje. Hij kuste me in alle hevigheid en greep met beide handen mijn billen vast. Ik wilde perfect zijn —ik moest perfect zijn. Een wanhopige behoefte om zo goed te zijn dat hij nooit meer weg zou willen.

Ik ging liggen op het bed. Hij spreidde mijn benen, langzaam. Tergend langzaam. Begreep hij dan niet hoe wanhopig ik hem in me wilde? Of genoot hij ervan me te kwellen?

Ik observeerde elk gebaar: hoe zijn vingers mijn hals raakten, hoe zijn blik over mijn lichaam gleed, hoe zijn ademhaling versnelde. Ik zoog elke beweging op voor later — voor die momenten dat hij weg was en ik mezelf opnieuw gek zou maken met twijfel en lust.

Hij trok het lapje stof van mijn bh naar beneden, nam mijn borst in zijn hand en beet voorzichtig in mijn tepel. Ik vond het heerlijk wat hij deed met zijn mond. Nog nooit had iemand me zo laten voelen.

Met zijn linkerhand hield hij mijn nek vast en trok zachtjes aan mijn haren. Hij bracht een vinger naar mijn mond, en liet zijn natte vinger tussen mijn benen glijden. Een vinger die verkende, die voelde hoe nat ik was, hoe gewillig ik me liet vullen. Ik sloot mijn ogen, concentreerde me op dat ene punt van contact. Het was niet genoeg. Het was nooit genoeg.

Hij bracht een tweede vinger naar binnen en bewoog harder, dieper. Bij elke beweging raakte zijn duim mijn clit.

Alsjeblieft, niet stoppen.

Mijn heupen verloren hun eigen wil en bewogen mee op zijn ritme. Hij leidde, ik volgde. Ik smeekte in stilte dat er in dit moment niets anders bestond voor hem dan ik.

“Vul je me helemaal?” smeekte ik.

Hij bracht een derde vinger naar binnen. Zijn hand doordrenkt van mijn geil. Hij verstevigde zijn greep en trok mijn hoofd verder naar achteren. Mijn kin richtte zich naar voor, en alle spieren in mijn lijf spanden zich aan.

Het leek alsof hij genoot van mijn reacties, dat betekende toch iets?

Zijn vingers bewogen in me, ritmisch, geduldig, zoals hij zijn instrumenten bespeelt. Hij legde zijn rechterhand op mijn heup, hield me stevig vast. Ik kon nergens meer heen. Ik wilde nergens meer heen.

Laat me nooit meer los.

Het hoogtepunt van genot bereiken is een individuele zaak, maar ik wilde dat het dat niet was. Ik wilde versmelten, opgaan, verdwijnen in iets groters dan dit uitgeputte zelf.

En zo kwam ik klaar—de eerste keer tijdens onze eerste vakantie samen—en maakte een klank die het moment volledig verzadigde. Een combinatie van lust, wanhoop en iets wat voor mij veel op liefde leek. Ik dacht dat ik kon voelen dat hij om me gaf, zelfs met al mijn imperfecties. Zo verdomd doorzichtig in mijn behoefte.

Hij keek in mijn ogen en glimlachte. Voor nu was dat genoeg. Hij ging naast me liggen, arm tegen arm, onze vingers verstrengeld.

Toen ik wakker werd, kleefden de lakens aan mijn rug en billen. Het duurde enkele seconden voor ik besefte dat ik weer aan het fantaseren was geweest. Ieper. Het hotel. Zijn vingers. Mijn hand tastte automatisch naar mijn gsm en ik keek naar het scherm. 

Geen reactie. Tuurlijk niet. 

Nee, dit had niets met liefde te maken, dacht ik. Het was chemie. Verslaving die zich voordeed als verbinding. Mijn beloningssysteem had hem gekoppeld aan overleven, en ondertussen reageerde mijn lichaam alsof zijn afwezigheid een existentiële dreiging was. 

Diezelfde middag zag ik de vertrouwde salontafel opnieuw. Onmisbaar gereedschap voor een therapeut, blijkbaar.

Ik fantaseerde weer de hele nacht over hem, zei ik. “Urenlang. Het voelde zo echt allemaal.”

Elias knikte. Schreef niets op. Dat deed hij nooit tijdens een sessie. Zijn gezicht rustig. Open. Zonder oordeel. Dat maakte het zowel makkelijker als moeilijker.

En toen realiseerde ik me weer dat het niks was…,zei ik. “Dat ik niks was.”

Stilte.

Hij leunde een beetje naar voren.
Wat gebeurt er in jouw lichaam als je aan hem denkt?”

Ik slikte.
“Spanning. Mijn hartslag versnelt. Mijn borst wordt nauw. Het lijkt op… paniek, eigenlijk. Maar het voelt ook fijn. Dat verlangen. Het potentieel om van niets tot iets te worden.”

“Herken je dat gevoel ergens van?”

Ik keek naar hem. Naar zijn kalme ogen die wachtten zonder te pushen.

“Thuis. Vroeger. Vader die thuiskwam. Nooit weten of het een goede dag zou zijn of een slechte. Of hij me zou opmerken of negeren.”

Elias knikte traag.
“Je brein heeft als kind geleerd dat liefde onvoorspelbaar is. Dat je ervoor moet jagen, moet vechten, jezelf moet bewijzen. Sporadisch kreeg je brokjes aandacht — net genoeg om je klein en hongerig te houden.”

“En nu,” ging hij verder, “kiest je brein iemand die precies dat patroon herhaalt. Iemand die af en toe geeft. Want dit voelt bekend.”

Ik sloot mijn ogen en probeerde te verwerken wat werd gezegd.

“Het is niet abnormaal wat je voelt,” zei Elias. “Het is niet zwak. Het is een overlevingsmechanisme dat ooit nuttig was. Jij móest wel hyperalert zijn, móést wel vechten voor elke kruimel aandacht. Want zonder die kruimels zou je emotioneel verhongeren.”

“Het maakt me kapot,” antwoordde ik.

Stilte.

“Wat zou er gebeuren,” zei Elias voorzichtig, “als die drie vingers in je droom niet van hem waren, maar van jezelf?”

Ik opende mijn ogen en keek hem aan.
“Wat bedoel je?”

“Wat als je jezelf zou vullen? Die leegte. Niet met de bevestiging van een ander, maar met jouw eigen aanwezigheid. Zachtheid voor jezelf — zodat je voelt dat je genoeg bent, precies zoals je bent.”

Ik schudde mijn hoofd.
“Dat klinkt als… als bullshit uit een zelfhulpboek.”

Hij glimlachte flauw.
“Misschien. Maar die leegte die je probeert te vullen met hem? Die is echt. En zolang je naar buiten blijft kijken om hem te vullen, blijf je jagen. Blijf je uitgeput. Blijf je zoeken naar mannen die je niet opmerken.

Stilte in de therapiekamer.

Ergens buiten klonk een hond. Het arme dier hield niet op. Misschien zou er iemand komen, misschien niet.
Hij kon alleen maar blijven hopen.