#05 Ergens tussen macht en kwetsbaarheid

7-11 minuten


Clinging to the cusp of your unveiling I find stillness.
And together we unravel into violence.”

∼  Literary Sexts

Hij.

Ze stierf zoals ze neukte.
Een slappe dweil die zich gelaten overgaf aan alles wat er rondom haar gebeurde.

Hier had ze zelf om gevraagd.
Ze daagde hem uit.
Ze wist hoe kwaad hij kon worden.
Toch kon ze het niet laten.

Kon je niet gewoon oppassen, domme geit? 

Dacht je nu echt dat je me op deze manier aan je kon binden?  

De laatste maanden had ze zichzelf volledig laten gaan.
Vrouwen… godverdomme. Doe eens wat moeite.
Eerst hengelen ze je binnen, en zodra de vis toehapt, laten ze je spartelen. Net genoeg seks om je vastgebonden aan de lijn te houden.

En zelf eens gaan sporten? Nee, liever zagen over hoe moe ze zijn en de hele avond met hun lui gat in de zetel liggen. 

Hij was geen idioot.
Hij nam.
Wie hij wou.
Wanneer hij wou.

Wat is dat toch met die naïeve trutten die denken dat ze mij kunnen redden?
Alsof ik ooit een project wil zijn.

Ik ben in controle. Ik neem de beslissingen. Ik beslis of ik het monster uit zijn kooi laat.

Hij had gehoopt dat hij iets zou voelen.
Maar ook toen hij haar nog even bleef nakijken, voelde hij niets, behalve misschien de adrenaline die langzaam uit zijn bloed wegebde. 

Ze lag daar, roerloos, haar rug in een vreemde kromming.
Haar mond hing halfopen, de littekens van haar zielspijn zichtbaar op de onderarmen.

Toch moest hij haar één krediet geven:
zuigen kon ze als de beste.
Hij was groot geschapen, en zij was de enige geweest die hem helemaal kon opslokken.
Heerlijk hoe vrouwen met daddy issues altijd harder hun best deden.

Had ze het echt niet zien aankomen? Het was niet de eerste keer dat hij haar had aangepakt. 

Zielig wijf, 

die zich voor m’n voeten bleef gooien. 

Ze had alles over voor wat aandacht, 

zelfs haar leven.

Hij had toegeslagen met de duistere geruststelling dat de wet hem in de rug dekte. Een derde van zijn straf doorstaan, en de poorten van de vrijheid zouden zich opnieuw openen. 

Laat die onbekwame klootzakken mij maar vastnagelen. Na een paar jaar loop ik gewoon weer rond.

Als men dan zou vragen hoe hij zoiets vreselijks had kunnen doen, zou hij het noemen naast de naam van zijn vader en moeder: verwaarlozing, getuige van geweld, leven in armoede, een jeugd zonder toekomst.
Ocharme, manneke toch.
Gedraag je als slachtoffer voor de rechter, en ze reduceren je straf uit medelijden, ha! 

De hond begon weer te blaffen. Rotbeest.
Eén harde trap, en ook dat geluid werd gedempt.

Rust.

Eindelijk rust. 

Hij trok een fles uit de kast, schonk zichzelf een glas in en liet zijn ogen langzaam over haar dode lichaam glijden.
De rokerige geur van whiskey drong diep in zijn neus en mengde zich met de beladen atmosfeer in de keuken.

Zijn gedachten gingen terug.
Naar vroeger.
Naar een vader die hem leerde wat een echte man moest zijn.

Urenlang had hij, een jochie van zeven, met gebalde vuisten in een emmer zand moeten boksen. Tot zijn knokkels bloedden, zijn polsen het bijna begaven, en zijn zweet de grenzen van pijn deed verdwijnen.

Naar een moeder die ook zo’n slappe vrouwentrut was gebleken.
Zo eentje die jarenlang onder het juk van zijn dronken vader leefde en hem en zijn broer opeens achterliet, zonder enig spoor.
Ze had haar ruggengraat nooit gevonden. Liet zich breken door zijn vader. En toen het haar te zwaar werd, liet ze hem en zijn broer los. Alsof ze gewoon wat vuilnis buiten zette.

Zijn moeder liet hem wel iets wezenlijks na:
afwijzing als rechtvaardiging voor geweld. 

Hoe meer hij te horen kreeg dat zijn gedrag problemen veroorzaakte, hoe meer hij genoot van het maken van de herrie.
Het was als een spel: 
hun verontwaardiging, hun vermaningen, hun gezaag.
Hij vrat ze op, die incels.

Want hij hoorde bij de natuurlijke soort.

Wanneer een tijger een kind aanvalt, word je dan kwaad op de tijger?
Of begrijp je dat hij gewoon doet waarvoor hij gemaakt is?
Zo zag hij zichzelf ook: instinct, kracht, overleven.
Hij was geen probleem.
Hij was de natuur zelf.

Hij herinnerde zich die lentedag, toen hij net tien was geworden.
Een jonge vogel vloog tegen het raam van de woonkamer, klapte neer op het terras.
Hij ging naar buiten en nam het dier op.
Het vocht voor zijn leven, happend naar adem, bloedend uit de beide neusgaten.
Hij hield het in beide handen vast, terwijl het langzaam stierf. 

Hij deed niets.
Hij voelde niets.
Hij bleef er gewoon bij.
Zo is de natuur.
Daar hoeven we ons niet in te moeien.
Wie zich verwondert over het leven, moet ook leren kijken naar wat sterft.

Het geluid uit de Sonos onderbrak zijn mijmeringen.
Een oude song die hij meteen herkende. Nine Inch Nails. De stem van Reznor vulde de kamer, indringend, maar niet voor hem bedoeld.

Hij trok zijn lip op in iets dat vaag op minachting leek.
Drugsverslaafde zieligaards leggen de hand aan zichzelf.
Hij niet.
Hij respecteerde zichzelf.
Zijn lichaam was een tempel, zorgvuldig bewaakt tegen zwakte en falen. Zijn geest leidde hij als een generaal zijn troepen, minutieus voorbereid op elke aanval.

Hij draaide de knop wat harder.
Leunde achterover en keek naar de afspiegeling van zijn eigen handen.
Hij zag in de patronen van zijn vingers de lijnen van een machine:
gevormd, getraind, doelbewust.
Alsof die vingers wisten dat ze nooit anders konden eindigen dan rond haar hals.

Hij haatte niet iedereen.
Hij haalde er gewoon de zwakke uit. 

En vroeg iemand naar wie hij was, 

zou hij antwoorden met dat wat zijn vader en moeder hem hadden meegegeven:
voorbestemd.

Zij.

Het enige wat ze van haar vader wist, was dat hij haar moeder, zes maanden zwanger, van de trap had gegooid. Zo beëindigde hij met één duw een vader-dochter relatie nog voor ze bestond, en tegelijk de wil om te leven van het meisje dat nog gedragen werd.

Ze had ooit rust gekend.

Haar gedachten dwaalden naar een tijd waarin ze als goede vrouw deed wat men van haar verwachtte: ze werkte, hield het huis op orde, kookte elke dag voor haar toenmalige lief. Hun huis stond te midden van groen, waar elk seizoen zich zorgvuldig ontvouwde en zij de kleinste veranderingen in zich opnam: 

de pijnlijk levendige tinten groen van de bomenrijen wanneer het lente werd, 

het onrustig ritselen van bladeren tijdens haar herfstwandelingen,

en de verstikkende stilte die de vorst bracht,

alsof de natuur haar eigen melancholie op haar projecteerde, onontkoombaar en genadeloos. De traagheid, voorspelbaarheid en stabiliteit snoerden haar de keel dicht en zo werd ze langzaam gewurgd door een wereld die voor anderen geluk betekende. 

Tot hij verscheen. 

De eerste keer dat het gebeurde had ze het alleen maar aan zichzelf te danken. Hij had haar vastgegrepen toen ze zich omdraaide om van hem weg te lopen. Ze maakte makkelijk blauwe plekken, die waren snel zichtbaar op haar bleke huid. Dat maakte hem alleen maar kwader. En natuurlijk liep hij weer gefrustreerd, zijn werk bezorgde hem zoveel kopzorgen. 

Ik moet echt beter mijn best doen. 

Ze herinnerde zich hoe haar moeder vroeger zei: “Liefde doet soms pijn, het is aan de vrouw om het te verdragen.” Destijds had ze het niet begrepen. Nu voelde ze de waarheid ervan in haar gehavende lijf. 

Vanaf die eerste keer begon ze zichzelf tegen te werken. Ze stelde vragen waar geen antwoorden op kwamen, trok grenzen om ze daarna toch te overschrijden, en zag aan zijn mondhoeken dat hij loog toen hij zei dat hij van haar hield. Ze raakte verdeeld in een voortdurende tweestrijd – de angstige vrouw die wilde vluchten en de zorgzame vrouw die bleef hopen. De ene stem fluisterde: “Ga weg. Dit is niet normaal. Dit escaleert alleen maar.”De andere stem, luider, vertrouwder: Maar hij houdt van je. Hij heeft het moeilijk. Jij bent de enige die hem begrijpt. Zonder jou heeft hij niemand.

Elk moment met hem sleurde haar dieper een afgrond in waar ze geen grip op had. De verliefde vlinders in haar buik ontpopten zich tot larven en woelden doorheen haar hele lichaam. Ze wist het, en toch ging ze door. Al te vaak kiest het hart voor degenen die kunnen verwonden, niet uit zelfhaat, niet uit verlangen, maar gewoonweg omdat het vertrouwd is, omdat het een intensiteit biedt die het anders nooit voelt. Soms zoekt het hart in zelfdestructie wat het mist: de pijn die het kent.

Toen hij thuiskwam en ze het hem vertelde, zag ze afkeer in zijn ogen. Geen blijdschap van een aanstaande vader, maar iets anders. Onzekerheid dat hij haar zou verliezen. De weigering dat hij niet langer het middelpunt zou zijn in de relatie. Ergens wist ze wel dat dit eraan zat te komen. Het kende een opbouw. Elke klap, elke greep, elke dreiging had haar hiernaartoe geleid. Het was geen kwestie van óf, maar wanneer.

“Je bent van mij,” gromde hij terwijl het zwart voor zijn ogen verscheen, zijn hand bezitterig op haar buik.

Wat volgde, ging snel.

Angst om te sterven had ze niet. Wanneer je als kind vaak genoeg hoort dat jouw leven hen toebehoort, leer je al van kleinsaf afscheid te nemen van alles wat ooit van jou had kunnen zijn.

Vlak voor het einde, dacht ze niet aan zichzelf, niet aan hem. Alleen aan de warmte in haar buik, aan het prille leven dat te vroeg zou worden uitgedoofd. Aan alle pijn die dit kleine mensje nooit zou hoeven te voelen. Alle littekens – zichtbaar en onzichtbaar – die het nooit zou moeten dragen. “Kom maar met me mee, kleintje,” fluisterde ze op de meest liefdevolle toon.

“Dit is onze wereld niet.”

Politie. 

Vaststellingen ter plaatse

Slachtoffer: vrouwelijk, 32 jaar, overleden aangetroffen in de keuken van de woning. Hals vertoont zichtbare tekenen van wurging. Identiteitskaart aangetroffen in handtas. Naam komt voor in het systeem. Vier processen-verbaal opgemaakt wegens huishoudelijk geweld. Geen klacht ingediend. Gevonden in portemonnee van slachtoffer: een verfrommeld briefje met handgeschreven cijfers: 1712. Navraag bij hulpverlening: geen contactmomenten gekend op deze naam.