#12 Ergens tussen zwijgen en spreken

10-14 minuten

“Do not ask your children
to strive for extraordinary lives.
Such striving may seem admirable,
but it is the way of foolishness.
Help them instead to find the wonder
and the marvel of an ordinary life.
Show them the joy of tasting
tomatoes, apples and pears.
Show them how to cry
when pets and people die.
Show them the infinite pleasure
in the touch of a hand.
And make the ordinary come alive for them.
The extraordinary will take care of itself.”

~ William Martin

Op de ovale bijzettafel stond een kannetje met water, vergezeld van drie dikke glazen met doffe aanslag op.
Ze dronk niet graag uit dikke glazen. Of uit glazen met aanslag. De vorm van het glas, de welvingen van het bestek, de kleur van de borden waaruit ze at. Dat moest allemaal goed aanvoelen. Benieuwd wat die therapeut van haar daarover te vertellen zou hebben.

Zoals steeds koos ze van de twee fauteuils degene die het dichtst bij de deur stond. Eerst een snelle scan van de ruimte, pas dan gaan zitten. Bij voorkeur met de rug tegen de muur. De vluchtroute was al bepaald nog voor ze haar jas had uitgedaan.

Haar hoofd was altijd wakker, zelfs wanneer ze sliep. Dat hadden ze ooit fysiologisch gemeten tijdens een slaaponderzoek. Te weinig K-complexen. Zelfs haar slaap durfde niet loslaten. Haar brein registreerde de kleinste veranderingen. Een toon in iemands stem. Een verandering in energie. Een stilte die langer duurde dan normaal. Vermoeiend was het wel. Maar moe zijn was geen reden om op te houden met opletten. 

De therapeut had haar uitgelegd wat de bedoeling was van dit ‘tweegesprek’.

De vrouw van vijfenveertig in de ene stoel. 

Het meisje van vijftien op de andere.

‘Niet nadenken,’ had de therapeut gezegd.
‘Laat jouw jongere ik maar langskomen. En probeer tegen haar te zeggen waar jij nood aan had op die leeftijd.’

Nu zat ze op de stoel bij de deur.

‘Oké’. 

Ze stond op en liep naar de andere stoel.

Ze ging opnieuw zitten.

Haar schouders stonden gespannen. Ze liet ze zakken. Ze trokken weer omhoog. Haar voeten stonden al iets naar achteren, klaar om haar overeind te duwen. Ze merkte het en zette ze plat op de grond. Ze keek naar de deur. Ze keek naar de andere stoel. Het was maar een stoel.

Haar lichaam leek daar anders over te denken.


[15-jarige ik]“Waarom vindt hij me niet meer leuk? Ik heb echt alles gedaan wat hij wou. Ik wilde die derde Breezer niet opdrinken, maar deed het toch, want dat vond hij cool. Ik heb hem gekust wanneer hij dat wilde, ik vond dat best lekker. En die keer in de leegstaande caravan, toen we allemaal dronken werden en hij me alleen liet met zijn vrienden. Ik was écht zo van de kaart. Een van hen ging met zijn vingers in mijn slipje. De andere zat aan mijn borsten. Ik vroeg me de hele tijd af wat híj ervan zou vinden. Of híj me sexy vond. Of híj het raar zou vinden dat ik daar beneden haar had. Of het bij andere meisjes ook zo voelde. Ben ik raar? Heel erg veel herinner ik me toch niet meer. De dag nadien noemde hij me een slet en zag hij me niet meer staan. En alle jongens lachten me uit want ze vonden me veel te dik om mooi te zijn.”

[45-jarige ik] “Hé, hoor eens. Je wilde liefdevol aangeraakt worden, niet aangerand. Je wilde erbij horen en voelen dat je er mocht zijn, voor wie dan ook. Je wilde gewild worden. Je probeerde ergens binnen te raken. Bij iemand. Dat is geen karakterfout, en al zeker geen stoornis. Je bent een menselijk dier. Natuurlijk wil je geaaid worden.

En je mag hem leuk vinden. En knap. En je mag genieten van het zoenen en leren ontdekken hoe seks in elkaar zit. Je mag zelfs spijt krijgen van dingen die je hebt gedaan. Maar niets van dat alles betekent dat iemand recht krijgt op jouw lichaam. Of dat hun onvolwassenheden jou moeten raken. Of dat het jouw schuld is. Nee, ook niet als je gedronken had. Een lichaam dat niet meer weet wat gebeurt, is geen lichaam dat toestemming geeft. Ook niet als je bent meegegaan naar die caravan. Zelfs niet wanneer je eerder al met hem had gekust en dan uiteindelijk toch nee zou zeggen.

Laat dat woordje ‘slet’ maar los. Het is maar een woord, gekozen door iemand die niet weet hoe hij met vrouwelijk verlangen moet omgaan. 

En jongens die met meisjes lachen nadat ze naakt zijn geweest? Hummeltjes. Onzekere broekventjes die elkaar nodig hebben om zich groot te voelen. Tot ze op een dag een echte, ademende vrouw tegenkomen. Met een stem. Een geur. Een mening. En zelfs het lef om nee te zeggen. Dan zie je hun piemeltje verpieteren, als ware het een vergeten kamerplant.

Je wil gewoon zo graag geliefd zijn.

Dat is niet iets om je voor te schamen. Schaamte is niet altijd een teken dat je iets verkeerd hebt gedaan. Niet alles wat in je groeit, heb je zelf gezaaid. Mensen zullen dat blijven doen: hun eigen onzekerheden op jou proberen te plakken. Ze zullen je nog vaak vertellen dat je niet genoeg bent. Of net te veel. Te luid aan tafel. Te gevoelig wanneer iets je raakt. Te aanwezig wanneer je gezien wilt worden.

Je zal ze vaak geloven. 

Niet doen.” 

Ze trekt het elastiekje uit haar haar, bindt het opnieuw, strakker. “Ik vond dat zoenen echt wel lekker.”


[15-jarige ik] “En nu is hij samen met HAAR! Natuurlijk staat alles haar goed. Nonchalance staat iedereen goed. Zij hoeft geen uren voor de spiegel te staan. Make-up is voor de onzekere meisjes, daar doet zij niet aan mee. Haar slordige haar doet gewoon… haar ding. En volgens mij krijgt ze niet eens een mentale inzinking als de weegschaal een kilo meer aangeeft! Met haar leuke neusring en wilde bruine haren met highlights in wappert ze door het leven en laat ze gebroken harten achter. Waaronder ook het mijne en ze kent me niet eens. Wat heb ik niet wat zij wel heeft?”

[45-jarige ik] “Meisje toch. Soms zullen mensen jou niet kiezen, en dat doet verschrikkelijk veel pijn. Maar je gaat leren om je eigen gezelschap te verdragen. En later zelfs op te zoeken. Je zal stoppen met al dat voortdurende vergelijken, want soms blijkt het gewoon erg goed wanneer je niet krijgt wat je dacht te willen. Dat opent dan nieuwe deuren, die speciaal voor jou werden geopend. Of zo zal het lijken. 

Onthoud vooral: 

de dagen dat de ander jou niet kiest, leg dan kort even je hand op je hart.
Leer jezelf troosten en voelen dat je er bent.”

Zucht.


[15-jarige ik] “Waarom vind ik mijzelf zo lelijk en dik? Word ik eigenlijk ooit mooi? Mijn vriendin heeft me alvast getoond hoe dat moet, zo een vinger in de keel om te vermijden dat ik nog dikker wordt. Vooral veel water drinken tijdens het eten, anders doet het heel erg pijn. Ik zag in die ene film over zonden hoe zo een vies dikke vent helemaal opengebarsten lag boven zijn bord, zijn moordenaar had hem laten dood eten! Misschien eindig ik ook zo wel. Ik duw al dat eten naar binnen, hoef het niet te proeven. En daarbij, ons eten is toch ziek? Wat maakt het nog uit.”

[45-jarige ik] “Rebel in wording, ooit hoorde ik iets wat ik nooit meer zal vergeten: de haat tegen het vrouwelijk lichaam zit zo diep dat de allereerste zonde werd voorgesteld als een vrouw die at.

Ik kan je weinig geruststellen maar ik wil het wel proberen. 

Je bent en wordt zoveel meer dan mooi. 

Jij denkt dat er iets mis is met jou omdat je een lichaam hebt dat voeding nodig heeft. Omdat je honger kent. Omdat eten het enige troostende is in jouw omgeving. Je leerde al zo jong dat je moet minderen. In eten. In ruimte innemen. In praten. Zelfs huilen mocht je niet. Misschien is dat wel de reden waarom je je levenshonger zo moeilijk kan voelen. Je hele bestaan heb je moeten onderdrukken. 

Maar er is niets mis met je honger.
Noch met je lichaam. 
Noch met je bestaan.

Er is iets mis met een wereld die je al van kleins af leert dat eten iets is om voor te boeten. Dat iedereen in een voorgekauwde norm moet passen, een norm die alsmaar kleiner wordt. En dus makkelijker te controleren. 

Het zal je jaren kosten om opnieuw te proeven.
Om een hap door te slikken zonder jezelf ervoor te haten.
Ik wou dat ik je dat kon besparen.
Maar dat kan ik niet.

Wat ik je wel kan zeggen, is dat je je niet zal laten kennen. 

Later zul je mensen ontmoeten die weigeren nog mee te doen en jij zal op de barricaden staan.”

Met haar mouw veegt ze rondom haar mond. ‘Dus ik moet gewoon nog een beetje geduld hebben?’


[15-jarige ik] “Waarom wil de psychiater me niet helpen? Ik sprak over dood willen en hij zei dat hij daar niet mee bezig was. Hij zei dat mijn sterven pas een voorrecht is wanneer ik heb geleefd. Ik wilde de medicatie aanpassen. Maar hij zei: ‘Never change a winning team.’ Ik wil iets doen! Ik wil iets veranderen! Ondertussen is het al een jaar dat ik op de wachtlijst sta. Maar het voelt niet als winnen wanneer ik mijn bed niet uit kan. Wanneer zelfs ademen pijn doet. Waarom wil niemand ons nog helpen? Of ons gewoon laten gaan? Een doodzieke hond laat je toch ook niet wegkwijnen?”

[45-jarige ik] “Ik weet het, lieverd.
De lastigheid van het leven is soms even overweldigend als de gewonigheid ervan.

En ik wil je niets wijsmaken. 
Ook wanneer je ouder bent, zal je ochtenden naar het plafond liggen staren en wordt leven iets waar je elke dag opnieuw voor moet kiezen. En je zult soms zo een hevige pijn voelen dat je denkt: ‘ik ben er klaar mee’. 

En toch blijf je rondhangen. 

Niet omdat je sterk bent – dat hoeven we niet te zijn. Soms is het net goed dat we ons een kwartelei voelen. Dan mag iemand anders het even overnemen.

Maar ook door je lijstje. 

Je zal een lijst bijhouden van namen. Ergens op een blaadje. Sommige namen zullen verdwijnen, dat hoort erbij. Mensen gaan nu eenmaal weg. Jij gaat weg bij mensen. Soms moet dat. Maar er komen ook nieuwe namen bij. Een leerkracht die je ziet staan. Een hond die op je schoot springt. Iemand die je nog niet hebt ontmoet. Je zal jezelf voornemen dat zolang er nog één naam op dat lijstje staat, het de moeite waard is dat je blijft.”

Het meisje staart naar de vloer. ‘Jij hebt makkelijk praten. Jij hebt het overleefd.’


[15-jarige ik] “Waarom hebben mijn ouders mij gemaakt? Ik hoorde tante praten tegen nonkel, ze moesten gewoon een erfgenaam hebben en tante vindt het schandalig dat ze niet naar me omkijken. Ik vraag me af waarom de rest van de familie dan ook nooit eens langskomt?
Nooit is hier iemand thuis. Ik zit de hele dag alleen in die grote villa, elk jaar een andere nanny. En wat ik ook doe, het is nooit goed genoeg. Ik heb een 9 op 10 voor wiskunde. Mijn moeder ziet vooral dat ik dringend naar de kapper moet omdat ik er weer eens uitzie als een zwerver. Mijn vader vraagt of het zo moeilijk is een 10 te behalen. Soms vraag ik me af of ze weten of ik werkelijk besta. Ik weet zelfs niet eens of ik besta. Waarom leef ik eigenlijk? 

Elk jaar mag ik voor mijn verjaardag een wens doen.
En elk jaar wens ik dat het mijn laatste verjaardag mag zijn.”

[45-jarige ik] “Lief kind, ik zou je zo graag willen vertellen dat je ouders jou op een dag zullen komen redden. 

Maar dat gebeurt niet.

En ik weet dat je dat verschrikkelijk zult vinden om te horen. Je zult lang denken dat er dan wel iets mis moet zijn met jou. Dat je harder moet werken. Mooier moet zijn. Minder lastig. Het waard moet zijn om wél gered te worden. 

Maar luister goed naar mij: dat zij jou niet hebben gewild zoals een kind gewild wil worden, betekent niet dat jij er niet had mogen zijn. 

Jij bent van jou. 

En wie jij bent, mag je zelf ontdekken.

Ze schuifelt voorzichtig op haar stoel. “Dus ik mag er zijn gewoon omwille van mij?”


[15-jarige ik] “Waarom is het zo lastig om te zeggen wat ik denk. Wat ik voel. Wat is er toch mis met mij?”

[45-jarige ik] “Ach schat toch. Jij was nooit het probleem. Jij was het kind dat moest dragen.

Dus slikte je het maar in. 
Je verdriet. Je woede. Je honger. Je woorden.

Jarenlang hebben ze je geleerd dat zwijgen hetzelfde is als flink zijn. Wanneer je wel je mond opende, werd je zwaar gestraft. Dus leerde je dat je stem onveilig was. Dat wordt het moeilijkste om af te leren: dat je stem er mag zijn zonder dat er iets ergs gebeurt.

Je mag spreken.

Je mag neen zeggen. 

Je mag boos zijn.

Je mag zelfs teleurstellen. 

Je hoeft je stem niet te ruilen voor liefde of veiligheid.

En ooit zal je haar terugvinden. Niet boven water. Niet waar iedereen het kan horen. Eerst ergens diep onder water, waar ze al die jaren op jou heeft gewacht.”

Stilte. 

Het meisje kijkt haar even aan en zwemt weg.