#10 Ergens tussen blijven en gaan

7-11 minuten

“My words remain in thought,
‘cause no one listens anymore”

~ The Night Time Project

DONDERDAG

“Bonpapi, wilde gij uw aperitiefke al?”

“Oui, mon cher garçon. Tu prends bien soin de ton vieux bonhomme.”

Elke laatste donderdag van de maand rijdt mon filleul honderdzestig kilometer heen en terug. Dat voor een bejaarde man. In ons buurthuis zeggen ze dat jongeren vandaag de dag alleen nog geld willen. Dat hij gewoon de moeite doet voor de erfenis. Maar ik geloof dat niet. Ge rijdt geen honderdzestig kilometer voor iemand die u niet kan schelen.

Mensen praten onwetend wanneer ze bang zijn.

Normaliter komt ons Nancy op vrijdag koken, maar door personeelswijzigingen staat ze vandaag al in mijn keuken. De volgende keer dat iemand langskomt is pas maandag. Dus moet ik drie dagen voor mezelf zorgen. 

Soms lukt dat. 

Nancy plaatst de aluminium bakjes in de koelkast en schrijft met een zwarte stift op de deksels.

Vrijdag: vis.
3 minuutjes.

Zaterdag: gratinschotel.
5 minuutjes.

Zondag: puree met ballekes.
3 minuutjes.

Ze legt uit welke knop van de microgolf ik moet indrukken.

Ik knik.

Oude mensen knikken veel.

Niet omdat we het hebben begrepen.

Maar omdat we moe worden van uitleg vragen.

De verpleegsters komen me in de week wassen, om elf uur. In het weekend krijg ik geen hulp, want ik ben nog goed genoeg, zeggen ze. Ik was altijd al een vroege vogel. Om zes uur ben ik wakker, maar ik had niet te kiezen wanneer ze komen. Het moet passen in hun ronde. Ik ben niet de enige die zit te wachten, zeggen ze. 

Elf uur dus.

Ik tel hoe lang ze hier zijn.

Gemiddeld vier minuten.

Identiteitskaart lezen. Altijd eerst dat. 

Alsof ik pas besta na controle.

Ik sta al klaar aan de wasbak. Het water is nooit echt warm. Ze schuren over mijn tere huid. Mijn lichaam is geen lichaam op dat moment, maar een taak. Iets dat moet lukken binnen de tijd. 

Hup.

Halfnat terug in de kleren. 

Snel. 

Alles moet snel.

Telkens nieuwe gezichten. 

De ene doet me denken aan een lachende, zwevende engel; de ander draagt vermoedelijk genetisch materiaal van een kampcommandant in zich mee. 

En bij elke bezoeker hoor ik het: druk, druk, druk. Drie keer druk. Alsof tijd ons overkomt in plaats van iets dat we toebedelen. Ik heb ook altijd werk genoeg gehad, maar druk doen is geen excuus om te vergeten wat belangrijk is.

En hier sta ik dan. 

In mijn blootje.

Onzichtbaar. 

VRIJDAG

Sommige mensen zullen nooit weten hoe rijk echte liefde kan zijn.

Na de prostaatkanker deed mijn lichaam niet meer wat het gewend was. De erecties verdwenen. Wat overbleef was een verwelkte lul die zelfs zijn eigen plas niet meer kon inhouden. Ik sprak er niet over. Jeanne ook niet. Ze waste alles zonder morren en respecteerde mijn zwijgen. Ik liep maanden rond met schaamte als enige metgezel. 

Maar schaamte went.

De liefde voor Jeanne daarentegen groeide nog elke dag.

Ach, mijn lieve Jeanne.
Wat een fantastische levensgezellin. Veertig jaar lief en leed gedeeld. We konden geen kinderen krijgen, en dat was oké. 

We hadden elkaar, meer hadden we niet nodig.  

Ik zag haar voor het eerst op het strand aan de Franse Rivièra. Ze zat met haar vriendinnen op het keienstrand, verscholen onder een brede strohoed, met het zelfvertrouwen van een vrouw die weet dat ze wordt bekeken maar daar niets mee hoeft te doen. 

Ze had mooie benen.

Een onnozele maatstaf, dat weet ik nu.
Alsof mooie benen nog van belang zijn wanneer je tachtig bent, en het je zonder hulp niet eens meer lukt de knoop van je broek dicht te maken. 

Ondertussen ben ik dankbaar geworden voor dit haperende lichaam. 

Het houdt me in leven. Het laat me voelen en denken, zonder dat ik nog hoef te bewijzen waartoe het in staat is.

Niets moet nog. 

Ik mag gewoon zijn. 

Jong, vol branie, maar altijd hoffelijk. Dat dacht ik toen toch van mezelf.

Ik sprak haar aan en diezelfde avond nog aten we escargots en dronken we Chardonnay, terwijl de Middellandse Zee een beetje verkoeling bracht aan de voeten. Het licht van de maan gaf ons richting en we praatten over Camus, over Algerije, over wat vrijheid betekent en wat we daarvoor moeten opgeven. 

Het was toen dat ik haar vroeg alles achter te laten en met me mee te gaan. 

Jeanne voelde de last van wat de wereld verwachtte van haar vrouw-zijn.
Sois belle et tais-toi.
Daar is ze gelukkig nooit goed in geweest. 
Tenzij ze mij wilde beschermen.

Ik schreef brieven om haar genegenheid te winnen. Toegewijde brieven. Ik hield van taal en koos ervoor om woorden zorgvuldig te kiezen, te schenken aan de ander. Een brief mocht tijd kosten. Dat was juist het mooie eraan. Taal is verbinding.
Mensen verstaan mekaar niet meer. 

Ooit vroeg ze me wat liefde voor me betekende. 

Daags nadien schreef ik haar een briefje. 

“Liefde is iemand die je waardigheid bewaart op de dagen dat je ze zelf niet meer kunt vasthouden.”

ZATERDAG

Jeanne wist dat Étienne bestond. Ze was wijs genoeg om te begrijpen dat liefde geen bezit was, zelfs niet binnen een huwelijk.

Étienne las graag de boeken van Benoîte Groult. Hij bewonderde de schrijfster voor haar durf om, tegen de conservatieve tijdsgeest in, zo elegant over lust en verlangens te schrijven. Hij hield van Gauvain, de ongepolijste minnaar uit haar roman. Misschien herkende hij zichzelf in hem. En misschien zag hij in mij wel George.

De lieverd.

Een vaste relatie aangaan konden wij niet. Daarvoor hield ik te veel van hem. Hij was volmaakt zoals hij was. 

Op afstand. 

Alles wat te dichtbij komt, verandert. 

Dat wilde ik niet. Misschien is dat de reden waarom onze passie nooit uitdoofde. 

Vijftien jaar lang maakten we deel uit van elkaars bestaan. Soms zagen we elkaar meerdere keren per jaar, soms jaren niet. We trokken er samen een weekend op uit en beleefden telkens opnieuw een prachtige romance. Het besef dat het na achtenveertig uur weer voorbij zou zijn, maakte ons gulzig naar elkaars aanwezigheid. Enkel oog voor elkaar en onze jonge, viriele lijven. 

Ik had nog nooit naar een man gekeken zoals ik die dag naar Étienne keek. 

Tijdens dat huwelijksweekend in Nice, waar we elkaar ontmoetten via gemeenschappelijke vrienden. De zon hing laag boven de Côte d’Azur. De mannen droegen witte linnen pakken en beige loafers. De vrouwen parels die fonkelden in het lichtspel van zonnebrillen en gevulde champagneglazen.

Alles ademde verfijning uit, maar het was hij die mijn aandacht stal. 

We hadden weinig gemeen, behalve de nieuwsgierigheid naar elkaars lichaam. 

Nooit zag ik een mooiere man dan Étienne. 
Een fiere, exotische verschijning. Een donkere huid die hij elke ochtend zorgvuldig inoliede tot die een honingkleurige glans kreeg. 

Een mond die urenlang teder én gulzig kon verkennen. 

Hij zei weleens dat elke man zich zou moeten laten penetreren. Om te weten hoe het voelt om je te openen in volle overgave en vertrouwen. En hoe kwetsbaar dat vertrouwen maakt.

Ik hield van zijn rusteloosheid. 

Hij reisde voortdurend voor zijn werk, maar zelfs in zijn vrije perioden leek hij nooit lang op dezelfde plek te kunnen vertoeven. Tegelijk zorgde hij met een vanzelfsprekendheid voor zijn ouders, alsof vrijheid en verantwoordelijkheid moeiteloos naast elkaar konden bestaan. Hij vertelde me dat zorg voor ouderen in zijn cultuur een belangrijke waarde is. Misschien is het inderdaad wel makkelijker de ander vreemd te noemen dan te erkennen wat we zelf zijn kwijtgeraakt.

Ik had hem al enkele jaren niet meer gezien, toen zijn neef me opbelde.

Étienne had zich verhangen.

Terwijl mijn hart brak, viel alles op zijn plaats.

De periodes waarin hij de wereld leek te willen beheersen. Dagen waarop slapen niet nodig bleek, gedachten zich sneller opstapelden dan zijn woorden konden volgen en hij ervan overtuigd was dat elke dierbare seconde telde. Tot de leegte kwam waarin hij nauwelijks nog uit bed raakte en al huilend met me belde.

Hij bleek manisch depressief.

Zijn neef vertelde hoe hij jarenlang had geprobeerd.

Artsen.
Opnames.
Medicatie.
Andere medicatie.
Geen enkele behandeling sloeg aan.

Ik denk nog vaak aan hem.

Niet aan hoe hij gestorven is,
maar aan hoe hij leefde.

Alsof elke dag de laatste kon zijn.

Alsof hij meer wist dan wij.

ZONDAG

Ach, mijn lieve FrouFrou. 

Mon filleul bracht de jonge pup voor me mee nadat Jeanne was overleden. Hij vond dat ik in beweging moest blijven. Dat het misschien zou helpen om opnieuw voor iemand te zorgen. Een reden om op te staan. 

Hij had gelijk.

Veertien jaar is FrouFrou mijn trouwe metgezel geweest. 

Stilletjesaan werd hij ouder.
Kleine veranderingen die ge nauwelijks opmerkt, maar er dagdagelijks insluipen. 


Wat stijver bij het opstaan.
Wat trager reageren.
Een beetje grijzer aan de muil.
De ademhaling die wat moeite kostte.
Het slapen dat steeds dieper werd. 


Maar in zijn dromen leek hij nog altijd die jonge hond te zijn, 
zijn pootjes bewogen alsof hij zorgeloos over het strand liep.

Hij lag daar vaak. 

Aan mijn voeten. 

Gewoon hond te wezen. 

Hij hoefde zijn nut niet te bewijzen zoals mensen dat tegenwoordig wel moeten. Hij mocht gewoon hond zijn en vreselijk geliefd. Met zijn oogjes vroeg hij maar één ding: blijft ge bij mij?

Het werd elke dag een beetje afscheid nemen. Tot het moment kwam waarop er geen beetje meer overbleef. Ik gunde hem een waardig einde, net zoals ik hem een mooi leven had proberen gegeven. Elke vezel van mijn lichaam verzette zich tegen de beslissing, maar uit liefde liet ik hem los.

De pijn werd pas draaglijk toen zijn geur uit de flat verdwenen was.

MAANDAG

Om elf uur draaide de sleutel in het slot.

“Marcel?”

Geen antwoord.

“Marcel?”

De boterham lag nog op tafel, twee kleine hapjes eruit gebeten.
De televisie speelde nog.

Marcel zat in zijn zetel.
Zijn hoofd een beetje schuin.
Rond zijn mond lag een kleine glimlach.

De verpleegster legde haar hand even op zijn schouder.

“Ach schat toch,” zei ze. 

“Rust zacht.”