#03 Ergens tussen pijn en genot

6-9 minuten

“I took a deep breath and listened to the old brag of my heart: 
I am, I am, I am.”

  Sylvia Plath, The Bell Jar

De bamboehouten borstel lag perfect in haar hand, als een kleine ronde schijf met honingkleurige lijntjes. Haar slanke vingers omsloten het hout stevig. De brede, geweven band voelde ruw maar betrouwbaar, alsof hij haar handpalm in een stevige omhelzing nam. Onder het gladde oppervlak staken de stroharen stijf en levendig uiteen. Wanneer ze er met haar vingertoppen over streek, produceerden de vezels een droog, knisperend geluid. Haar huid leek al te weten hoe ze straks zou tintelen.

Ze had gelezen dat droogborstelen cellulitis verminderde. Maar daar was het haar niet om te doen, wel om de sensatie van de harde stroharen op haar stevige lijf, rondom haar gevoeligste plekjes. Droogborstelen als onderdeel van haar plezier.

Sommige mensen zijn eerder visueel of auditief ingesteld, maar zij beschouwde zichzelf als een tactiele vrouw, iemand die de wereld via aanraking ervoer.
Onbewust streek ze tijdens de meest banale gesprekken met collega’s over de tafelrand — bewust liet ze haar vingers dwalen wanneer ze kuierde in een boekenzaak.

Hardhouten boekenkasten, glanzend papier, de fluweelzachte kaft van een boek… het strelen bracht haar telkens in vervoering. Haar therapeut had het ooit benoemd als een bovengemiddelde huidhonger, waarschijnlijk een gevolg van gemiste liefdevolle aanrakingen en intimiteit tijdens de kinderjaren.

Ze hield ervan te spelen, te voelen, het leven helemaal te ervaren. Haar seksualiteit was nooit een taboe, dankzij de sterke vrouwen die haar voorgingen.

Ze bracht de borstel van de bal van haar voet langzaam naar boven. Strijken richting het hart, herinnerde ze zich. In volle aandacht liet ze de borstel van haar onderbeen naar boven glijden. Ze wist welke richting ze uit wilde. De binnenkant van haar dijen: een stevige toegangspoort die beslist wie welkom is en wie niet. Zelfs in bed, heftig zoenend, als haar dijen zich sloten, kwam niemand erdoor. Haar dijen hielden de touwtjes in handen.
Sorry, kerel. Misschien een andere keer.

Vervolgens zette ze de borstel tegen de binnenkant van haar knie en wachtte geduldig af. Wachten is een bijzondere vorm van genot: nieuwsgierigheid, opwinding, frustratie. Het nog-niet brengt het lichaam in vervoering.

Met gesloten ogen voelde ze hoe haar lijf reageerde toen ze de beweging naar boven inzette. Een reflex, haast dierlijk. Pijn en genot — twee uiteinden van hetzelfde spectrum, samengeknepen tot één waanzinnig moment.

Ze streek langzaam en vastberaden omhoog, langs de binnenkant van haar linkerdij. Het uiteinde van de borstel schampte de korte haartjes bij haar schaamlippen, een vluchtige beroering die haar deed sidderen. Ze hield de adem in, stopte het strijken en bracht het borsteltje terug naar de startplek. Deze keer liet ze het borsteltje trager glijden dan de eerste keer. Ze ademde zichzelf door de pijn heen, zoals ze het had geleerd. Hoe dichter bij haar lies, hoe harder haar hart bonsde. Bij de derde streek voelde ze hoe warmte door haar lijf schoot en een rode gloed haar huid kleurde. Ze kronkelde en genoot van de prikkelende pijnsensatie.

Haar adem haperde toen de borstel haar zwellende schaamlippen schampte, een aanraking die haar deed kermen en haar kut glanzend nat achterliet. Haar benen spanden zich op, haar buikspieren trokken samen, en ze voelde hoe haar lichaam balanceerde op de rand tussen beheersing en overgave. Dit was haar veilige plek, hier hoefde ze geen enkele verantwoording af te leggen.

Was het een onschuldig ritueel of eerder een dwangmatige handeling? Iets wat ze bewust verlangde, of gewoon moest doen om haar pijnlijke lijf te bedaren, te kalmeren, te troosten? Soms was het niet meer dan verveling, iets wat haar even deed verdwijnen. Maar vandaag was het voorbereiding.

Zoals altijd wanneer ze naar het huis ging.
Naar hém, zorgvuldig uitgekozen, de enige man aan wie ze haar leven toevertrouwde.

Ze nam een pil, plaatste die op haar tong en slikte door. Sinds jaren slikte ze ze trouw, om de hevigste stormen wat te temperen — want intense emoties horen niet thuis in een maatschappij die dwangmatig rationaliseert, controleert en angstvallig ordent. Al lang geleden sloot ze een stuk van zichzelf op, om een kans te maken op een leven dat normaal leek. Alleen op zondag, van middernacht tot vijf uur ’s ochtends, hield ze op met verdwijnen.

Hij stond erop dat ze op tijd kwam.

Een paar minuten voor middernacht reed ze haar wagen de lange oprit op, aan weerszijden begeleid door de inmiddels vertrouwde, statige eikenbomen die haar welkom leken te heten. De eiken stonden daar, massief en zwijgend, als levende bewijzen van volgehouden kracht. Door hun aanwezigheid voelde ze zich omarmd, gedragen, veilig.

De weinig verlichte parking liet niet vermoeden wat zich binnenin afspeelde. Ze stapte uit de wagen en voelde hoe haar lichaam vooruitliep op wat komen zou. Een lichte zindering trok als elektriciteit over haar armen, haar rug, tot in het kloppend centrum van haar bestaan. Ze kreeg het warm, en wist dat de conditionering zijn werk deed. 

Haar benen voelden slap, wankelend op de hoge hakken die ze anders nooit droeg. Hij verlangde dat van haar. Zij gaf toe aan hem.

Één voor één nam ze de treden naar de voordeur. Traagheid als laatste verzet tegen het onvermijdelijke.
De zware deur gaf mee onder haar hand. Kaarslicht flakkerde, onrustig. Ergens bulderde muziek — te hard om te verstaan, hard genoeg om in te verdwijnen. Ze hoorde de zanger het uitschreeuwen: hij gaf uitdrukking aan wat zij al jaren in zich vasthield.

Dit was haar plek. Geen schaamte, geen twijfel. In dit huis verdwenen sociale verplichtingen, morele overwegingen, zelfs het besef van tijd. Hier kon je niet anders dan aanwezig zijn.

Ervaren. Toestaan. Loslaten.

Hij zat op de stenen vloer toen ze binnenkwam. Naakt, roerloos. Ze wisselden geen woorden uit. Toen hij zich bewoog – laag bij de grond, naar haar toe – vroeg ze zich af wie van de twee nu wel de prooi was. Ze stapte uit haar jurk en draaide zich met haar rug naar hem toe, een cruciale fout. Draai nooit je rug naar het roofdier, tenzij je bereid bent het niet te overleven. 

Beheerst en doelgericht greep hij haar bij de heupen, trok haar naar achteren. In één vloeiende beweging trok hij haar slipje uit.

Onomwonden duwde hij zijn gezicht tussen haar billen en bracht zijn tong diep in haar binnen. Ze liet zich steeds verder vallen, tot haar hele gewicht op hem rustte. Met beide handen hield hij haar stevig vast. Haar lichaam benam zijn adem, maar ze wist dat hij niets liever wilde dan deze combinatie van hijgen en happen, alsof hij zich in haar wilde verdrinken. Haar heupen bewogen mee op de meditatieve cadans van de muziek: traag, repetitief, hypnotiserend.

Hij kantelde haar naar voren. Hij kende haar lichaam, wist waar het protesteerde. Een bekende pijn schoot door haar gewrichten, maar ze liet het gebeuren. Haar vingers vonden de harde ondergrond. Hij liet haar knielen. Kwetsbaar en gewillig.

“Niet bewegen,” sprak hij.

Haar lichaam trilde terwijl hij naar de hoek van de kamer liep. Toen hij terugkwam, danste het licht van de kandelaar in zijn hand. Ze voelde hoe haar bewustzijn langzaam uit haar lichaam trad, zwevend, wachtend.

Het enige wat zij hoefde te doen, was blijven ademen.

De eerste druppel raakte haar onderrug. Heet, scherp, net draaglijk. Haar lichaam schoot in de aanval en ze voelde haar spieren samentrekken. De eerste waren de lastigste. 

Nog een druppel. Haar schouderblad dit keer. Het brandde. Stolde.

Ze probeerde niet te anticiperen. Ze liep er niet van weg en haalde de pijn naar zich toe. Ze koos voor elke druppel — druppel na druppel.
Hier bepaalde zij. 

Ergens tussen de pijn en het loslaten vond ze de weg terug naar haar eigen lichaam.
Naar zichzelf. 

Toen het abrupt ophield, voelde ze de leegte harder dan de pijn. Ze bleef liggen op de kille vloer, de wasdruppels koud geworden op haar huid. Kleine rode merktekens als getuigen van haar worsteling tussen controle en overgave. 

“Je bent veilig, meisje,” fluisterde hij.
Hij ging naast haar liggen. Zijn vingers vonden een haarlok en streken die achter haar oor.

Ze geloofde hem.

Op de terugweg naar huis, toen de ochtendzon door de voorruit brak, herinnerde ze zich de woorden van de arts: “Pijn is vooral een mentale constructie. Je zult ermee moeten leren leven.”

In revalidatie hadden ze haar geleerd de pijn een vorm te geven, er een object van te maken om het dan naast zich neer te leggen.

Maar na al die jaren had ze haar eigen waarheid gevonden.

Er was die onverwachte, ongevraagde pijn, als een hongerig kind dat in haar botten woonde. Het huilde, altijd. Ze kon het niet troosten, niet stil krijgen. Maar in het huis leerde ze het te voeden. En voor een paar uur was het kind tevreden.