#06 Ergens tussen angst en vertrouwen 

7-10 minuten

That light will always reign over your shadow
you will never die like I die
your fire will always be in me
you will always be
a part of me
the heart of me

∼  Razoreater, Amenra

Zij was zevenentwintig. Hij drieënvijftig. Op hetzelfde moment dat haar moeder openscheurde om haar te baren, kwam hij in zijn vrouw klaar en verwekte zijn dochter.

Ze had hem leren kennen in de lange rij van de boekenwinkel. Ze zag hem staan, een kookboek in zijn handen. Wat een typisch kerstcadeau, dacht ze. Zo’n man die cadeaus kiest die zijn vrouw vooral nuttig maken.

De computer die betalingen registreerde viel uit. Iedereen moest wachten. In de wachtrij werd gevloekt, gezucht, en werden lastige blikken geworpen naar de dames die druk bezig waren een oplossing te vinden.

Buiten stond een bankje. Zij was een van de weinigen die naar buiten ging. Hij volgde.

Bleek dat hij getrouwd was, een dochter had en een eigen zaak. Bleek dat zij genoot van de macht die ze over hem had. Zijn leeftijd werkte in zijn voordeel: een zekere urgentie om zich nog even levendig te voelen voordat de laatste erectie zijn lichaam verliet.

Niets kon haar nog schelen.
Vrouwen zonder grenzen zijn een gevaar voor zichzelf. En in bed? Volkomen ongeremd.

Dat was het verhaal dat ze zichzelf vertelde.

Op een doordeweekse namiddag belde hij aan. Ze wist dat hij zou komen, hij kon het nooit lang volhouden zonder haar. 

”Mag ik binnenkomen?” vroeg hij met een onmiskenbare gretigheid. 

Ze zei niets en stapte opzij. 

“Ik kan niet lang blijven.”

“Dat zeg je altijd.”

Ze draaide zich om, liep de slaapkamer in. 

Hij volgde. 

Zijn handen bewogen met zelfvertrouwen. Hij had dit al honderden keren gedaan, dat was het voordeel van een man die wist waar hij mee bezig was.

Hij duwde haar op haar rug. Ze liet zich vallen, keek naar hem op terwijl hij boven haar ging zitten.  Ze zag zijn pupillen verwijden. Ze opende haar mond. Zonder aarzelen. Zijn grote handen grepen haar hoofd vast, zijn vingers verstrengelden zich in haar mahoniebruine haar. Toen schoof hij zijn lul naar binnen, dieper dan de meeste mannen durfden te gaan.

Geen kokhalsreflex. Die had ze al lang geleden uitgeschakeld, net als zoveel andere dingen die normale mensen beschermden.

Ze voelde hoe hij haar keel vulde, hoe haar adem stokte, hoe haar lichaam protesteerde bij zoveel geweld. Maar ze verzette zich niet. Integendeel. Kijk dan. Zie je het? Zie je wat ik aankan?

Hij begon te bewegen. Traag eerst, en toen hij versnelde voelde ze zijn zelfbeheersing afbrokkelen met elke stoot. Goed zo. Dit was wat ze wilde. Niet de seks. De destructie. Ze wilde dat hij zijn keurslijf liet vallen, dat hij even ruw en wanhopig werd als zij zich voelde. Haar longen schreeuwden om lucht, maar ze trok zich niet terug. Ze verslond hem – gulzig, alsof ze door hem heen wilde bijten. Haar razernij kende geen grenzen. Niet voor hem—voor haarzelf. Ze haatte zichzelf — omdat ze nooit wist wanneer te stoppen, omdat ze zichzelf dit bleef aandoen terwijl ze beter wist.

Ga je gang. Maak me kapot.

Ze voelde zijn lichaam verstrakken, zijn tempo versnellen. Hij was er bijna.

“Ga door,” zei ze toen ze zijn aarzeling voelde. Haar stem was schor, gebroken. Durf je niet?
Verwarring trok over zijn gezicht – wellustig en geschokt door waartoe hij in staat was. Hij ging er terug in en liet zich gaan.

Het kwam in golven, warm en bitter. Maar hij was te diep, veel te diep. Het stroomde niet weg zoals het hoorde. In plaats daarvan voelde ze hoe het verkeerd ging, hoe het niet in haar keel bleef maar verder gleed, naar plekken waar het niet thuishoorde. Ze hapte naar lucht maar het zat overal—in haar neus, haar longen.

Hij deinsde achteruit, geschrokken. “Jezus, gaat het?”

Ze lag op haar zij, nog steeds hoestend. Haar lichaam ineengedoken in foetushouding. En ergens tussen de pijn en de waanzin door, voelde ze haar mond krommen. Een glimlach als bewijs dat ze nog iets kon voelen.

Hij stond op, kleedde zich aan zonder haar aan te kijken.

“Gaat het echt?” vroeg hij nog een keer met een vlakke stem. Ze knikte, nog steeds liggend op haar zij. Haar keel brandde. “Ik moet gaan,” zei hij. Hij keek op zijn horloge. Altijd dat horloge.

Ze hoorde hem de trap aflopen. De voordeur ging open, het slot viel dicht. Toen was het stil, terug alleen in het appartement. Ze bleef liggen. Minuten, misschien een uur. Uiteindelijk dwong ze zichzelf overeind, maar haar lichaam voelde niet van haar. Douchen. Schone kleren. Proberen iets te eten. De illusie van normaal. Maar elke slik brandde, een schurende herinnering aan wat ze zichzelf had laten doen.

_

Uren later zat ze nog steeds alleen. Het appartement voelde koud aan. Leeg. Zielloos. Ze leefde op de bodem van haar eigen bestaan en niemand die erom gaf. Op haar laptop keek ze serie na serie. Automatisch doorklikken op ‘volgende aflevering’. Een verdoving die werkte, zolang ze maar bleef klikken. De schuld en schaamte gingen nooit weg, bewogen enkel naar de achtergrond.

Ze klikte door naar een gratis streamingkanaal. Panorama. Jonathan Jacob. Een jonge kerel, doodgeslagen door het Bijzondere Bijstandsteam van de lokale politie-eenheid. “De bottinekes.” Zijn doodsstrijd minutenlang gefilmd én uitgezonden.

Het parket sprak van “een tragisch incident”, de psychiatrie over “de grenzen van de hulpverlening bij comorbiditeit”, en over “capaciteitsproblemen in de GGZ”. Holle woorden. Die niets veranderden aan het feit dat een mens werd doodgeslagen. On cam.

Elke verantwoordelijke wees met de vinger naar elkaar. Zelfbescherming. Want hoe moet je jezelf in de spiegel aankijken als je een dode op je geweten hebt?

Brenda Froyen had het al jaren gezegd en geschreven:
We laten psychisch kwetsbare mensen in de steek. We bezuinigen. We sluiten bedden. We laten mensen op straat sterven of in isolatie wegkwijnen. En als het misgaat, halen we onze schouders op en noemen het “een tragisch incident.”

Ik maak hier deel van uit.

Die gedachte sloeg in als een mokerslag.

Zij was hulpverlener. Zij was onderdeel van dat systeem dat faalde. Zij zag dagelijks hoe mensen tussen de mazen van het net glippen, hoe wachtlijsten alsmaar langer werden, hoe collega’s opbrandden, hoe budgetten keer op keer gekort werden. Ze had het gezien en ze had doorgewerkt, machteloos.

Net zoals Jonathan Jacob machteloos was geweest.

Hij lag daar en het gebeurde. De beelden bleven maar komen.
Ze wilde wegklikken maar kon het niet.

Een naakte man op de grond. 

In de hoek van een cel. 

Die man moet doodsangsten hebben uitgestaan!

Verstikking. 

Kneuzingen. 

Bloed. 

Niemand grijpt in, dat kan toch niet! 

Doe iets, kom op! 

Ze voelde haar eigen keel opnieuw dichtknijpen. Naar adem happen, net zoals de onschuldige kerel die daar in een koude cel het leven liet. Haar hart sloeg over. Haar handen begonnen te trillen. 

O nee. Niet nu. Alsjeblieft niet nu.

Paniek kent geen aankondiging en plots was haar lichaam niet meer van haar. Lucht kwam er niet meer in, ging er niet meer uit. Het voelde alsof iemand haar longen aan het uitknijpen was. Een hete vloedgolf die vanuit haar binnenste omhoog kroop, haar gezicht in brand zette. Haar handen en voeten werden ijskoud, alsof al het bloed uit haar ledematen werd getrokken. Zweet brak uit. Haar hele lichaam beefde als een dier in doodsangst. Haar spieren verkrampten, gespannen tot het punt van pijn.  Haar hart bonkte onregelmatig, sloeg slagen over, raasde dan weer door. Haar lichaam schreeuwde op cellulair niveau — elke vezel, elke cel in opstand tegen het teveel aan zuurstof, de overload aan adrenaline. Ze maakte zich zo klein mogelijk. Rug gebogen, hoofd naar beneden, knieën tegen haar buik.  

Klein zijn is veilig zijn. Onzichtbaar zijn is overleven.

Bel iemand! Bel 112! Doe iets!

Haar handen gehoorzaamden nog altijd niet. Haar telefoon lag binnen handbereik, maar haar vingers trilden te hard, haar hoofd schreeuwde te veel gedachten tegelijk:

Je gaat dood.

Dit is het. 

Je hart houdt ermee op. 

Je stikt. 

Dit is het einde. 

_

En toen, een moment van helderheid.

Ik ken dit.

Ze sloot haar mond en probeerde door de neus te ademen. 

Trager. 

Spaarzaam. 

Zuinig. 

Haar spieren hadden nood aan ontspanning. 

Schouders laag. 

Kaken los. 

Vingers open.
Niet vechten, lieve schat.

Ze wankelde naar de trap. Eén tree omhoog. Nog een tree omhoog. Eén tree omlaag. Geen snelheid, geen doel. Gewoon wat zachte beweging om haar lijf gerust te stellen: het is oké. Laat de adrenaline maar los. Er is geen echt gevaar hier.

Haar lichaam begreep dat. Uiteindelijk.

Jonathan had geen tijd gekregen om dat te begrijpen, dat hebben ze hem niet gegund. 

Ze zag de foto hangen op de ijskast — vorige zomer genomen in De Haan. Twee kunstbeelden naast het bankje. “Al Met Der Tyd”. Net als de voorgaande keren zal ook dit voorbijgaan.

Ze bleef zachtjes doorademen. Nog langzamer. Ze begon hardop te benoemen wat ze zag, om de hevigste sensaties buiten te houden:

“Twee beelden. Mythische wezens. Bewakers.“

Haar stem trilde, maar ze ging door. 

“Ze staan naast het bankje. Kijken uit op zee. Ze houden wacht.”

Adem in via de neus.

“Ze weren het kwaad. Ze beschermen.”

Adem uit via de mond. 
Goed zo, lieve schat. 

Na enkele minuten ebde de paniekgolf weg. Maar niet helemaal. Nooit helemaal. 

Net genoeg om een volgende dag te overleven.