“The universe seems designed. Why do you think that is?”
∼ Stephen Hawking
Mistress Khali
Morgen.
21u.
Sheraton Hotel BXL.
Kamer 1008.
Sub 8
Ik zal er zijn.

Het boeide haar niet hoe hij er aan toe was.
Dat was het vermoeiendste aan dit werk. Niet het veinzen van interesse, maar het moment waarop onverschilligheid echt was geworden.
In een aantal voorbereidende gesprekken leerde ze haar kandidaten kennen. Ze koos zorgvuldig wie ze aannam en wie niet. Wat zij uit de sessies wilde halen, was minstens even belangrijk.
Hij bleek niet het type man waaraan zij zich zou onderwerpen of oplossen in wat mensen verliefdheid noemen, en precies dat maakte hun relatie vanaf het begin voorspelbaar.
De man die haar werkelijk zou kunnen africhten, zou stil met zichzelf in een kamer kunnen zitten, het geluk absorberen dat hem toeviel en het ongeluk verdragen dat hem was toebedeeld.
Hij daarentegen bleek het zoveelste hollende cliché, ambitieus genoeg om alles te bereiken, behalve zichzelf.
Hij praatte zoals hij leefde. Grenzeloos. Snel.
Moeiteloos sprak hij over verlies, dood en verlangens. Alsof het spuwen van woorden al een vorm van verwerking kon zijn. Maar zij vertrouwde geen mensen die hun pijn te goed konden beschrijven.
Zijn tegenstrijdigheden bevielen haar niet. Zijn transactionele kijk op relaties nog minder.
Hij hield vrouwen dichtbij genoeg om hen op de proef te stellen, maar ver genoeg om hen te laten falen. Alsof hij voortdurend peilde wie sterk genoeg was om zijn loyaliteit af te dwingen.
Hij wist heel goed wat hij nodig had, en toch koos hij telkens vrouwen die bleven, droegen, zorgden. Elke keer bleek het voor hem niet genoeg. En ergens was opnieuw een wijfie tekortgeschoten.
Al tijdens het eerste gesprek werd duidelijk dat hij niet gered wilde worden. Verlangde niet naar berusting, maar zocht gewoon naar manieren om rond te blijven draaien in dezelfde gapende wonde. Wat hij nodig had was iemand die mee duwde op de plek waar zijn schuldgevoel hem al jaren verpletterde.
Hij leefde alsof afstand hem kon beschermen tegen verlies.
Alsof hij nog steeds geloofde dat hij het had kunnen voorkomen.
Alsof hij iets had moeten tegenhouden.
Maar geen enkel kind wint van het noodlot.
Wat hij niet hoefde te weten, was dat zij hetzelfde deed met hem.
Ze objectiveerde hem.
Reduceerde hem tot een project waarop ze haar beschadigingen kon uitwerken tot ze zelf verdoofd werd. Ook zij haalde uit eten, drinken en jagen haar kortstondige genot. Een hedonistisch leven, gedreven door de dwang zichzelf voortdurend chemisch interessant te houden. En ook bij haar lag een chronisch schuldgevoel aan de kern van alles.
Ze had het zichzelf lang geleden al aangerekend, die eerste ja tegen het witte poeder, alsof alle andere ja’s daarna al in verscholen hadden gezeten. Ze wist heel goed wie haar had meegenomen en naar welk huis. Maar wat volgde had ze nooit aan elkaar kunnen naaien tot iets wat ze een herinnering kon noemen. Alleen vage, losse beelden, zonder context. Bijtwonden, bebloede kleren en blauwe plekken op plaatsen die ze nooit had aangeboden.
Wat overbleef was een reflex:
de manier waarop ze sindsdien altijd even verstijfde als iemand haar aanraakte.
Haar lichaam wist het nog. Zij niet meer.
Ze had ja gezegd.
Tegen nieuwsgierigheid.
Tegen het avontuur dat nieuwe lichamen voor elkaar kunnen betekenen.
Tegen de warmte van iemand die even aandacht gaf in een ongezien bestaan.
Maar tegen het geweld dat zich daarna voorgoed in haar lichaam nestelde, had ze nooit ja gezegd.
In hun onbereikbaarheid deelden ze meer dan ze dacht.
De deur van de hotelkamer stond op een kier.
Hij klopte alsnog.
De kamer baadde in gedempt licht; een vloerlamp in de hoek naast het bed, en een tweede zachte spot boven de badkamerdeur.
Ze zat in een smaragdgroene, fluwelen fauteuil. De hoge, omarmende rugleuning gaf haar iets majestueus. Haar ravenzwarte haar omhelsde haar ovalen gezicht zoals haar vader nooit had gedaan. Ze leunde licht naar links, de benen zelfzeker over elkaar geslagen. Een vloeiende lijn van heup tot voet. Ze droeg een wit satijnen hemdje met zes parelmoeren knopen, één voor één zorgvuldig dichtgemaakt. Een zwarte Max Mara broek, met bijhorende zwarte peep-toes die strak om haar voeten sloten. Geen millimeter speling. Ze droeg stiletto’s al jaren, niet voor anderen maar voor zichzelf.
Groot stond haar goed.
In haar hand zwenkte ze een glas rode wijn, een Barolo, door haar gekozen nog voor de sommelier zijn aanbeveling kon afronden. Ze keek naar de trage sporen die de wijn achterliet op het kristal en moest terugdenken aan een voormalige klant.
Een briljant kosmoloog, hoogleraar zelfs, die zijn dagen besteedde aan de vraag of een werkelijkheid wel bestaat los van degene die haar waarneemt. ’s Avonds kwam hij bij haar aan een lederen lijn en liet hij zich op handen en voeten door de hotelkamer leiden. Ze had hem ooit gevraagd hoe iemand tegelijk kosmoloog en puppy kon zijn. Hij had alleen gelachen. Pas jaren later besefte ze dat het verschil tussen die twee rollen kleiner was dan ze had gedacht.
“Doe de deur dicht.”
Hij bleef staan in het midden van de kamer.
Zij liet hem.
Buiten, tien verdiepingen lager, bewoog de stad verder in onverschilligheid. Kleine lichten. Kleine mensen. Van hieruit zag alles er beheersbaar uit.
Ook nu weer viel haar op hoe zijn lichaam onder constante microspanning leek te staan, vooral wanneer hij van houding veranderde. Stilstaand straalde hij zelfvertrouwen uit; in de pauzes tussen zijn bewegingen viel hij even uit elkaar. Niet aan de oppervlakte want daar zat alleen de pose, het geoefende charisma van een man die dacht dat zelfbewustzijn hetzelfde was als zelfkennis.
Maar daaronder.
Dat permanente inhouden.
In het leven dat hij voor zichzelf had gecreëerd, leek alles te kloppen. Maar in deze ruimte viel hij uit de toon. Ruigheid, scherp afgetekend tegen de zijden lakens, de crèmekleurige muren, het blinkend opgepoetste oppervlak van het meubilair.
Hij opende zijn mond.
Ze stak één vinger op. Nauwelijks zichtbaar, maar definitief.
“Niet nu.”
Ze nam een slok wijn en plaatste het glas op het walnoten tafeltje met de precisie van iemand die gewend was aan hotelkamers, wachtende mannen en zelfgekozen stiltes.
Zijn glas stond ook klaar.
De eerste keer dat ze hadden afgesproken om elkaar af te tasten, om te kijken of er een klik bestond tussen wat zij aanbood en hij nodig had, liet ze hem zelf bestellen. Hij had bier genomen. Dat was meteen de laatste keer gebleken. Ze hield niet van de smaak van mannen die bier dronken.
Terwijl ze zich naar de badkamer begaf, liet ze haar ogen inventariserend over hem heen glijden.
Hij volgde.
Steevast nam ze mannen mee naar de badkamer. Sommigen deden geen moeite, de slecht opgevoede toch.
Mannen wier appartementen roken naar de optelsom van alles wat ze hadden genegeerd: vaat, vloeren, trauma’s. Zich in het zweet werkende arbeidersmannen die aan hun pik zaten om te zeiken, in de pauze snel even gingen rukken en twee keer per dag hun kont afveegden maar zelden de moeite namen hun handen te wassen. Diezelfde handen waarmee ze daarna alles aanraakten: hun gereedschap, hun kinderen, hun vrouw. Wielrennende, EPO-spuitende mannen die een wandelende vrouw zagen aankomen en toch besloten hun snot op het jaagpad te knallen.
Vlak voor haar voeten.
De meest verzorgde mannen hadden een wederhelft, maar daar waren ze op uitgekeken. Die verloederde kut had al jaren geen levenslust meer en al zeker geen strak lichaam van veertien, iets waar het mannelijke geslacht zo dol op is. En het enige genot dat hun vrouw zichzelf nog gunde was zagen tegen haar vent, over wat een nietsnut die uiteindelijk was gebleken.
Ergens las ze dat planten stoppen met groeien wanneer je elke dag tegen ze brult. Dan hoeft het niet te verwonderen dat die slappe lullen naarstig op zoek gaan achter een vers groen blaadje.
En zo stapten sommigen, zelfverzekerd als altijd, bij haar binnen. Omringd door hun eigen viezigheid, alsof aanwezigheid alleen al volstond. Blijkbaar had niemand hen ooit geleerd dat een verzorgd voorkomen het absolute minimum is.
Maar hij niet.
Ze had het al opgemerkt toen hij binnenkwam. Verzorgde vingernagels, de subtiele geur van deodorant, muskus van douchegel die nog net aanwezig was onder de dag die hij had gedragen.
Kleine details, grootse gevolgen.
Ze knikte naar de vloer naast het bad.
“Kom hier.”
Het heldere licht in de badkamer voelde hard na de schemering van daarnet. De tegels waren wit, het bad losstaand op perfect geplaatste gouden steuntjes. Hij liet zich zakken op de aangewezen plek.
Ze trok een handdoek van het rek en legde die over de badrand. Hij begreep wat ze wilde en liet zich achterover zakken. Zijn hoofd vond de opgevouwen handdoek; zijn hals rustte in de plooi ervan. Zijn eigenzinnige donkere krullen conflicteerden met het delicate witte porselein. Ze ging schrijlings over hem heen zitten, haar gewicht gelijkmatig verdeeld, in controle van elke centimeter ruimte tussen hen.
Doelgericht boog ze zich naar zijn kruin en nam hem in haar op. Het haar had hij niet gewassen. De zwoele, bezwete dag hing er nog in vast.
Flink zo.
Met een brede kam ging ze door zijn diep kastanjebruine haren.
Ze hield van het gewicht van de lokken tussen haar vingers. Van de manier waarop de ongetemde krullen zich verzetten om zich daarna toch te schikken.
Met elke streek ademde ze.
Nog een streek.
En dan nog een.
Nauwlettend volgde ze de beweging terwijl de krullen terugveerden onder haar hand.
Ontwarren zonder haast.
Haar toewijding hoefde nergens anders heen.
Vervolgens draaide ze de kraan open en testte de temperatuur met haar pols.
Zoals altijd had ze haar eigen shampoo meegebracht. Ze warmde een zorgvuldig afgemeten hoeveelheid van de luxueuze, zijdezachte substantie in haar handpalmen en streek die tussen haar vingers uit.
Onder het water werden de lokken soepel en volgzaam. Wat een voldoening wanneer de weerstand uiteindelijk verdween.
Traag werkte het geurige schuim zich door de druipende massa, verdween en verscheen opnieuw. Eerst doorheen de wortels, langs de hoofdhuid, dan door de lengte van zijn krullen.
Haar vingertoppen gleden door naar de achterkant van zijn hoofd. Ze drukte ze stevig in zijn hoofdhuid. Daar hield ze even zijn spanning vast.
Ze wisselde haar aandacht tussen de glibberige sensaties rond haar vingers en zijn heldere ogen. Ze kon voelen hoe zijn ademhaling veranderde. Dieper, trager. Het verraste haar dat zijn lichaam zich ontspande in een houding die de dood zo dichtbij liet lijken.
Zijn hals onbeschermd aangeboden.
Alles wat kwetsbaar was, naar haar toe gekeerd.
Ze had hem zo kunnen beëindigen.
Moest ze dat willen.
_
Toen ze even later samen op de bedrand zaten, voelde hij het natte haar in zijn nek kriebelen.
Wat hem opviel was haar intense blik… licht samengeknepen ogen, een glimlach die niets weggaf. Ze had hem een slok wijn laten drinken zonder te vragen of hij wilde. Ze nam een lok van zijn donkere krullen tussen duim en wijsvinger. Ze liet haar vingers rondom zijn warrige haar spelen, dralen, bewegen.
Wat heeft die vrouw toch met mijn haar.
“Ik heb het gevoel dat de kus alles zal bepalen,” zei ze terwijl ze naar zijn mond keek.
Nog voor hij kon reageren voelde hij de vochtige warmte van haar lippen op de zijne. Haar mond nam de volgende ademhaling weg voordat hij kon besluiten wat hij ervan vond.
Hij proefde wijn.
En toen verschoof de tijd.
Abrupt liet ze hem los.
Hij voelde iets verschuiven in zijn borstkas.
De kamer leek smaller te worden. Of hij kleiner. Hij kon het verschil niet meer bepalen.
Toen hij zijn ogen opensloeg, zag hij haar lippen. Niet anders. Maar meer.
Hij knipperde.
Haar lippen leken groter. Een millimeter. Of tien.
Hij probeerde haar gezicht in focus te trekken, maar het lukte niet.
“Wat…?” stamelde hij.
De afstand tussen haar neus en haar ogen was te groot. Haar wenkbrauwen stonden plots te ver uit elkaar. Kleine verschuivingen, elk op zichzelf onbeduidend, samen onsamenhangend. Alsof hij gevangenzat in een Francis Bacon schilderij, vleesgeworden horror dat haar geometrie vergat maar bleef bewegen.
Wat klopt er niet aan haar gezicht?
Plots stond hij oog in oog met zichzelf. Hij zag zijn verschrikte reflectie in haar alsmaar wijder wordende pupillen.
Hij knipperde opnieuw.
Ben ik aan het krimpen?
Zijn longen zochten lucht maar vonden het niet. Hij strompelde achterover, alsof hij dekking zocht maar niet eens wist waarvoor, terwijl zijn lichaam hem onverwachts verried met een bekende reactie.
Pas dan zag hij het.
Zij was aan het groeien!
De muren scheurden open terwijl hij in extase zijn eigen hand naast haar hield om te vergelijken. Hij voelde zich nog nooit zo lucide als nu.
Dit is geen droom.
Het glas van de ramen sprong naar buiten, weggeblazen door de ruimte die haar lichaam innam. Het dak ging eraf; haar schouders persten het gebouw open als een foetus uit een baarmoeder die haar niet kon voldragen. De Max Mara broek gaf het eerst op, langs de binnennaden. Droge, scheurende geluiden alvorens haar roze huid verscheen in de openingen. Haar borsten zwollen tegen het satijn en één voor één schoten de knopen van haar hemd weg, tien verdiepingen naar beneden, als hagelstenen op de stoep. Hij hoorde botten breken, van voorbijgangers die te laat wegdoken.
Het leek haar niet te deren.
Haar lichaam deed wat het bestemd was te doen.
Zo vlug als hij kon liep hij de straat op.
Hij kon zijn blik niet van haar afwenden. Alsof hij voor het eerst zag wat zij altijd al geweest was.
In de verte hoorde hij geschreeuw. De stad begon haar ook op te merken. Autoalarmen gingen af. Honden begonnen te blaffen, sirenes begonnen te loeien.
Ze lachte en de galm ervan bereikte hem pas enkele seconden later, alsof geluid zelf moeite had om haar bij te houden. Haar stem deed iets bijzonder met zijn binnenoor. Te intens voor zijn schedel om te bevatten.
Beton brak.
Staal krijste.
Hout vatte vuur.
Op de rand van de waanzin torende zij uit, boven de skyline, de stad als speelveld onder haar voeten.
Waarom kan ik niet wegkijken?
Het versmallen van zijn focuspunt bracht een zekere rust met zich mee. Hij voelde dat dit geen plek was waar hij thuis hoorde te komen, en toch gebeurde precies dat.
Een bus werd opzijgeschoven, gewoon het zoveelste irritante obstakel in haar weg.
De elektriciteitskabels risten langs haar benen.
Ze vertraagde bij mannen die probeerden te vluchten. Niet om hen te sparen, maar om te kijken hoe ze tevergeefs van haar weg renden.
Maar hij bleef onbewogen observeren, gefascineerd door haar groteske verschijning.
Hij zag geen woede of razernij. Ze leek speels; kalm, met gerichte ogen en zachte mondhoeken.
Onbereikbaar en tegelijk benaderbaar, in haar verwoesting.
Ze vernietigde niet willekeurig.
Ze koos monumenten van menselijke macht.
Wolkenkrabbers van multinationals.
Het gerechtsgebouw volledig vernield.
De kerk geruïneerd.
Politie, militairen en speciale eenheden kwamen op haar af. Ze schudde ze met gemak van haar af. Het zoveelste peloton dat geloofde dat uniformen, wapens en machtsvertoon voldoende waren om een sterke vrouw op de knieën te dwingen. Helikopters vlogen in het rond, en hij genoot ervan hoe ze iedereen moeiteloos uit de weg flikkerde.
Plots greep ze een kerel in uniform en liet hem in haar hand kantelen. Naar beneden glijden. Terugkantelen. Ze keek hoe hij zich vastgreep. Toen liet ze hem vallen. Ondertussen gierde ze het uit van het lachen.
Ze speelt met hen.
Hij zag de slagschaduw van haar been terwijl ze een stap vooruit zette. Haar voet passeerde hem gevaarlijk dicht. De kracht van haar beweging deed hem wankelen. Toen haar hiel neerkwam, verdween een man in maatpak op slechts enkele meters van hem uit het zicht. Warme spetters sloegen in zijn gezicht.
Een mensheid, als kleine insectjes, in afwachting van verplettering: fragiel, miezerig, enkel door puur toeval nog in leven.
Hij stond nu vlak naast haar, zijn minuscule gestalte op ooghoogte van haar tenen. Haar gezicht niet meer te zien, enkel verschuivingen van trillingen, licht en geluid. Fragmentatie van vormen en kleuren die hij zich herinnerde van eerder, maar die hij niet meer als één geheel kon herkennen.
Wat hij wel heel nabij zag, waren haar teennagels, gelakt in precies dezelfde kleur als de Barolo die ze eerder had gedronken.
Verfijnde, slanke tenen.
Een lange lijn van grote teen naar kleine, aflopend in lengte zoals alleen elegante voeten doen.
Hij stak zijn hand uit.
Zijn handpalm tegen de wreef van haar voet en kon de warmte voelen van haar huid. Elke hartslag leek een aardbeving die tot diep in zijn lijf dreunde. Vervolgens liet hij zijn volle gewicht leunen op haar tenen en sloot zijn ogen.
Waar eerder de tijd verschoof, leek nu alles op te lossen.
De stad stond in brand.
Rondom hem een bijzondere stilte.

Epiloog
Haar hoofd zette zich langzaam in beweging, naar beneden. Op dat moment kreeg ze hem in het vizier en trok haar gezicht in een scherpe grimas.
Instinctief hield hij zijn kleine, weerloze armen in de lucht.
Ze nam hem op tussen duim en wijsvinger. Dezelfde vingers die zijn haar vol toewijding hadden gewassen, zijn schedel hadden gekneed, bewijs dat de aanraking van een vrouw een man kan maken of breken.
Nu omsloten ze zijn hele bovenlichaam en met elke seconde werd de druk op zijn ribben groter.
Hij hoorde de dissonantie in haar stem terwijl ze dreunde:
“Ik zei toch dat onze eerste kus alles zou bepalen.”
Hij voelde hoe haar greep zich aanspande, en liet zijn gedachten bewegen naar iets dat meer was dan het huidige moment.
Een stervend universum.
Geen explosie.
Geen finale botsing.
Alleen afstand.
Meer en meer afstand.
Alles wat verbonden was, langzaam uit elkaar getrokken tot er niets tastbaars meer overbleef.